Waarom onze politieke taal vastloopt in een modulair kiezerslandschap

Mensen plaatsen mij opmerkelijk vaak in totaal verschillende politieke hokjes. Wie mij hoort pleiten voor democratische vernieuwing, of kritisch hoort zijn op een aandelen-gedreven economie die de consument niet centraal stelt, ziet mij meteen als “links”. Wie mijn zorgen over migratie hoort, concludeert juist het tegenovergestelde: “rechts”. Eén los thema is vaak al genoeg om mij in een hokje te duwen. Maar het gaat nog verder: heb ik gel in mijn haar en een oud-Nederlands schilderij in mijn X banner? Dan ben ik “rechts”. Laat ik mijn haar los en staat er een hert op? Dan ben ik “links”. Het etiket volgt dus niet eens alleen mijn inhoud, maar soms zelfs de esthetiek waarmee iemand mij voor het eerst tegenkomt.

Ik krijg zo tegengestelde etiketten afhankelijk van het moment en het onderwerp waarop iemand mij leert kennen. Die inconsistentie ligt niet aan mij; ze ligt aan een politieke taal die niet alleen analyseert, maar identiteiten produceert. Links en rechts beschrijven allang niet meer simpelweg standpunten - ze creëren verwachtingen over wie iemand is en hoe die zich hoort te gedragen.

Die taal bestaat grotendeels uit politieke classificatielabels: links, rechts, het midden, progressief, conservatief, en de extremere varianten daarvan. We doen alsof deze labels stabiele, analytische categorieën zijn, terwijl ze in de praktijk vooral functioneren als symbolische relicten, propagandainstrumenten en simplistische identiteitsmarkeringen.

Dit stuk sluit direct aan op mijn eerdere analyse over zelfschikking:

Zelfschikking als nieuwe politieke ordening
Waarom verzuiling verdwijnt, zelfschikking ontaat en het politieke systeem vastloopt bij burgers die modulair hun voorkeuren samenstellen.

In dat stuk laat ik zien dat burgers hun politieke positie niet langer overnemen als vast pakket (verzuiling), maar modulair en iteratief opbouwen (zelfschikking). In dit stuk borduur ik daar op voort: ik analyseer de taal waarmee we die modulair opgebouwde voorkeuren nog steeds proberen te vangen in een lineair schema.

Mijn centrale stelling is eenvoudig, maar vergaand: politieke classificatielabels zijn conceptueel instabiel, empirisch onbruikbaar en institutioneel misleidend. Ze reduceren een meerdimensionale politieke werkelijkheid tot vijandsbeelden en misverstanden.

Ik beschouw dit niet als een ideologisch pamflet, maar als metatheoretisch werk: wat betekent het conceptueel, historisch, cognitief en institutioneel dat we 21e-eeuwse politieke realiteit proberen te analyseren met een vocabulaire uit de 18e en 19e eeuw?

Hieronder zet ik mijn analyse uiteen.


1. Horizontale classificaties

1.1 De historische oorsprong van links–midden–rechts

De driedeling links-rechts-midden is niet begonnen als ideologisch schema, maar als fysieke veiligheidsmaatregel in 1789. Tijdens de Franse Revolutie, in de vergaderzalen van de Nationale Vergadering (eerst in de Salle des Menus-Plaisirs in Versailles en later in de Salle du Manège in Parijs), ontstond de gewoonte om verschillende politieke stromingen links en rechts van de voorzitter te plaatsen. Aan de rechterzijde schaarden zich de verdedigers van de monarchie en de bestaande orde (aangezien de monarch zich ook aan deze kant van de zaal bevond) en aan de linkerzijde de radicalere revolutionairen die verdergaande hervormingen wilden.

Om de meest strijdlustige kampen niet direct tegenover elkaar te zetten, werden groepen die minder geneigd waren tot directe confrontatie bewust in het midden geplaatst. Dat fysieke compromis - een soort spanningsdemper in de zaalindeling - werd later geïdealiseerd tot wat wij nu “het politieke midden” noemen.

De retroactieve ideologische interpretatie

Pas na de Franse Revolutie zijn deze zitplaatsen retroactief ideologisch geïnterpreteerd. In de oorspronkelijke context ging het uitsluitend om fysieke ordehandhaving, niet om politieke theorie. Maar vanaf de 19e eeuw begonnen Franse kranten, pamfletten en parlementaire verslagen de termen gauche (links) en droite (rechts) te gebruiken als snelschrift voor groepen die in het parlement leken samen te stemmen. Media reduceerden complexe posities tot een eenvoudig ruimtelijk beeld - en precies dat beeld werd geleidelijk een inhoudelijk label.

Die mediagebruikte metaforen verspreidden zich snel:

  • Franse dagbladen begonnen stemmingen te beschrijven als “la gauche a voté…” en “la droite s’y oppose…”.
  • Europese correspondenten namen dit over en brachten de tweedeling mee naar landen met totaal andere politieke structuren.
  • In Nederland werd de indeling vanaf eind 19e eeuw overgenomen door journalisten en Kamergriffies, lang vóórdat er inhoudelijke coherentie bestond tussen “linkse” of “rechtse” stromingen.

Dat dit schema aansloeg in de 19e en 20e eeuw kwam doordat samenlevingen sterk verzuild en sociologisch gestold waren. Daardoor leek het alsof burgers stabiele positie-pakketten hadden - en dus alsof de links-rechtslijn een logische, bijna natuurlijke scheidslijn was. Die schijnbare stabiliteit werd vervolgens voor werkelijkheid aangezien.

Maar zelfs in die periode had de indeling geen inhoudelijke legitimiteit; ze werkte alleen schijnbaar omdat verzuilde samenlevingen tijdelijk voorspelbare, blokvormige patronen vertoonden. Bovendien creëert elk systeem waarin onderwerpen uiteindelijk worden teruggebracht tot “voor of tegen” een kunstmatige indruk van binariteit. De links–rechtslijn was dus nooit een inhoudelijke beschrijving van politieke werkelijkheid, maar een vereenvoudigd raster over een destijds eenvoudiger te groeperen samenleving.

Naarmate de sociologische structuren die verzuiling mogelijk maakten verdwijnen (zie mijn analyse over zelfschikking), wordt in mijn ogen niet zozeer zichtbaar dat de links–rechtsindeling “achterhaald” raakt, maar vooral dat zij nooit analytische inhoud hééft gehad.


1.2 ‘Links’ als historisch-maatschappelijke constellatie

In het Nederlandse politieke landschap is links minder een ideologische traditie dan een historisch gegroeide verzamelnaam voor uiteenlopende emancipatieprojecten. Waar het maatschappelijk vaak wordt gelinkt aan sociale gelijkheid, herverdeling en internationale solidariteit, laten zowel de politieke geschiedenis als empirisch onderzoek zien dat deze elementen zelden duurzaam samenkomen.

In de 19e eeuw waren linkse bewegingen primair gericht op sociale en economische emancipatie. Cultureel waren ze echter vaak uitgesproken conservatief. De vroege SDAP bijvoorbeeld verdedigde traditionele gezinsnormen, een arbeidsethos en sociale plichten die vandaag eerder met conservatisme worden geassocieerd (vgl. James Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw, 1995; Koen Vossen, Ideologie in Nederland, 2018).

Rond de jaren ’60-’70 verschoof links juist richting cultureel progressivisme, waarbij seksuele vrijheid, anti-autoritarisme en internationalisme centraal kwamen te staan. Economisch daarentegen ontwikkelde links zich in uiteenlopende richtingen:

  • de PvdA schoof op richting sociaalliberale marktbenaderingen (Den Uyl → Kok),
  • D66 combineerde wat maatschappelijk wordt beschouwd als culturele progressiviteit met economisch liberalisme,
  • de SP behield economisch egalitarisme maar nam cultureel behoudende posities in, onder meer rond migratie en Europa.

(zie: Cas Mudde & Cristóbal Rovira Kaltwasser, Populism, 2017; André Krouwel, Party Transformations in European Democracies, 2012)

Bij groene politiek is de variatie nog groter. Nederlandse ecologische partijen verdedigden periodes lang lokale autonomie, kleinschaligheid en anti-modernisme - thema’s die historisch eerder “rechts” werden geplaatst (vgl. Bram de Swaan, 1997). Tegelijkertijd omarmen moderne groene partijen technocratische sturing, emissiehandel en marktmechanismen. Die interne spanning laat zien dat “links” in dit domein geen richting is, maar een verzameling motivaties.

Empirische studies: linkse kiezers delen geen vaste combinatie van standpunten

Onderzoek naar electorale attitudes toont dat de “linkse kiezer” nauwelijks bestaat als coherent profiel:

  • Economische en culturele dimensies correleren zwak (Feldman & Johnston, Political Psychology, 2014).
  • Traditioneel links-progressieve waarden komen geregeld los te staan van globaliserings- of migratieopinies (Hooghe & Marks, Cleavage Theory Meets Europe’s Crises, 2018).
  • Electoraten van PvdA, GroenLinks, D66 en SP overlappen slechts fragmentarisch in waardenclusters (Tom van der Meer & Armen Hakhverdian, NOS Kieskompas-analyses, diverse jaren).

Het gevolg: binnen één linkse partij variëren kiezers sterk in economische visie, technologisch vertrouwen, Europese oriëntatie, institutioneel vertrouwen en culturele normen. Er is geen empirisch patroon dat stabiel genoeg is om “links” als analytisch geheel te dragen.

De kern

Samengevat vormt links in Nederland geen ideologisch pakket, maar een historisch gelaagd cluster van losse, contextafhankelijke associaties - verschillend per periode, per partij, per thema en per electorale groep. Als politiek classificatielabel fungeert het daarom vooral identificerend en retorisch, niet als stabiele inhoudelijke categorie.


1.3 ‘Rechts’ als historisch-maatschappelijke constellatie

In het publieke debat wordt rechts vaak geassocieerd met marktwerking, culturele traditie, christendom, nationale identiteit, streng migratiebeleid en terughoudendheid richting overheidsuitbreiding. Maar net als bij links laat de politieke geschiedenis van Nederland en Europa zien dat deze elementen geen stabiel of samenhangend pakket vormen. Rechts is geen ideologische familie, maar een historisch gegroeid verzamelbegrip met sterk wisselende betekenissen.

Historische oorsprong: van antirevolutionair tot economisch-liberaal

In Nederland begon rechts als een anti-revolutionaire, religieus geïnspireerde stroming. Abraham Kuyper en de ARP waren principieel anti-liberale partijen: zij verdedigden verzuilde instituties, christelijke moraal en sociale plichten. Economisch waren zij niet uitgesproken marktliberaal - eerder communitaristisch en paternalistisch. (George Harinck, De Antirevolutionaire Partij 1879–1979)

Pas in de 20e eeuw werden economisch-liberale waarden zoals deregulering, vrijhandel en individuele verantwoordelijkheid onderdeel van wat men “rechts” ging noemen. In Nederland gebeurde dit vooral onder invloed van VVD-liberalisme (Hellema, Nederlandse politiek na 1945).

Dat betekent dat wat vandaag vanzelfsprekend klinkt als een ‘rechterflank’, historisch een samenraapsel is van stromingen met verschillende logica’s:

  • protestants-christelijke partijen uit de 19e en 20e eeuw, later vaak “conservatief” genoemd, maar inhoudelijk primair gericht op religieuze moraal en zuilvorming;
  • klassiek-liberale groepen die later onder het etiket “rechts” werden geplaatst, ondanks hun oorspronkelijke anti-traditionalisme en nadruk op individuele vrijheid;
  • anti-immigratie- en identiteitsbewegingen vanaf Janmaat tot Fortuyn, Wilders en Baudet, die routinematig als “rechts” of “radicaal rechts” worden gelabeld, terwijl hun onderlinge verschillen (cultureel liberaal vs. traditioneel, economisch sociaal vs. marktgericht, technocratisch vs. anti-institutioneel) groter zijn dan hun overeenkomsten.

Al deze stromingen worden in het hedendaagse debat in één verzamelvak geschoven, maar vormen historisch, inhoudelijk en sociologisch geen coherent geheel. Het label “rechts” maskeert die diversiteit: het verklaart weinig, en verhult vooral hoeveel variatie er altijd al was. Dat die stromingen binnen rechts regelmatig botsen, is niet een bijzaak maar een symptoom: het label zelf heeft geen logische kern.

Economisch nationalisme - bescherming van binnenlandse industrie, voorkeur voor nationale planning, verzet tegen globalisering - gold lange tijd als klassiek “rechts” (denk aan Colijn, protectionisme, corporatisme). Tegenwoordig wordt hetzelfde pakket geregeld aangeduid als “links-populistisch”, “anti-globalistisch” (Hooghe & Marks, 2018), of “sociaal-conservatief”. Met andere woorden: dezelfde inhoud krijgt een andere classificatie afhankelijk van wie spreekt en in welke tijdsgeest.

Democratisering als voorbeeld van betekenisverschuiving

Bindende referenda, een speerpunt van FvD, worden maatschappelijk vaak “rechts-populistisch” genoemd, maar historisch waren ze juist gekoppeld aan radicale democratiseringsbewegingen:

  • anarchistische bewegingen,
  • vroeg-socialistische arbeidersbewegingen,
  • grassroots-democratiseringsbewegingen in de 20e eeuw.

(Carole Pateman, Participation and Democratic Theory, 1970)
Dat precies dezelfde institutionele voorkeur door totaal verschillende politieke groepen wordt gedragen, laat zien dat “rechts” geen stabiel institutioneel of moreel kompas biedt.

Cultureel conservatief, maar ecologisch streng

Christendemocratische en conservatieve partijen (CDA, CDU, Scandinavische partijen) kunnen ecologisch strenger zijn dan liberale partijen. Dit komt doordat hun morele kompas soms vertrekt vanuit rentmeesterschap, verantwoordelijkheid of intergenerationele solidariteit - niet vanuit anti-regulering. Onderzoek laat zien dat cultureel conservatieve kiezers soms milieubewuster zijn dan liberale kiezers, mits beleid wordt ingekaderd in termen van verantwoordelijkheid of gemeenschapsbehoud (Brulle et al., Nature Climate Change, 2012; McCright & Dunlap, 2011). Dit maakt het onmogelijk om “ecologie” stabiel aan links of rechts te koppelen.

De interne spanningen binnen rechts

Binnen rechts botsen tradities die moeilijk te verenigen zijn:

  • vrijemarktlobby’s (VVD),
  • religieuze tradities (CDA, SGP),
  • nationalistisch anti-globalisme (PVV, FvD).

Empirisch onderzoek naar partijfamilies (Krouwel 2012; De Vries & Hobolt 2020) laat zien dat deze stromingen onderling vaak frictie vertonen en geen eenduidige gedeelde waardenbasis hebben. Rechts fungeert daarmee als coalitieterm en cultuurmarker, niet als filosofische categorie.

De kern

Samengevat is rechts in Nederland en Europa geen samenhangende ideologische richting, maar een losse constellatie van tradities, belangen, retoriek en identiteit. Afhankelijk van periode, context en framing verschuift het etiket - vaak zonder inhoudelijke binnenlogica. Als politiek classificatielabel functioneert het daarom vooral als cultureel symbool en mobilisatietool, niet als analytisch bruikbaar begrip.


1.4 De illusie van het midden

In het publieke debat wordt “het midden” vaak voorgesteld als de plek van redelijkheid, nuance en pragmatische politiek. Maar zodra je onderzoekt wat het midden inhoudelijk zou moeten betekenen, valt de categorie uiteen. Het midden is geen coherente ideologische positie, geen herkenbare waardenstructuur, en zelfs geen stabiel sociologisch fenomeen. Het is een rekenkundige illusie die ontstaat doordat we een meerdimensionale politieke werkelijkheid op één lijn proberen te persen.

Historische herkomst: het midden bestaat pas nadat links en rechts ontstaan

Het midden heeft geen eigen oorsprong. Het bestaat uitsluitend achteraf, als restcategorie tussen twee posities die zelf historisch toevallig zijn ontstaan (zie 1.1). Waar links en rechts oorspronkelijk fysieke zitplaatsen waren, verschijnt “het midden” pas wanneer een lineaire schaal wordt geconstrueerd.

In 19e- en 20e-eeuwse parlementaire democratieën wordt die schaal door media, partijen en politicologen verder genaturaliseerd. Franse kranten spreken tijdens de Derde Republiek bijvoorbeeld over centre gauche en centre droit om fracties te ordenen tussen de flanken. Maar deze categorieën verwijzen niet naar inhoudelijke ideologieën - enkel naar relatieve positie op een as die men zelf heeft geconstrueerd. Het midden erft dus dezelfde conceptuele instabiliteit als de uitersten waaruit het wordt afgeleid.

Conceptuele leegte: het midden heeft geen definieerbare waarden

In tegenstelling tot liberalisme, socialisme of conservatieve filosofie kent het midden geen canon, geen denktraditie, geen kernwaarden, geen toetsbare uitgangspunten. Politicoloog Giovanni Sartori wees er al op dat centrist geen ideologie beschrijft, maar een geometrische locatie zonder inhoud.

Dat betekent:

  • er bestaat geen waarde waarvan je kunt zeggen: dit is typisch midden;
  • er bestaat geen grens waarbinnen iets niet meer “midden” zou zijn;
  • en er bestaat geen historische continuïteit van “middenpolitiek”.

Het midden is een positie zonder inhoud, net zoals het centrum van een meetlat niets anders is dan de plek tussen twee willekeurig gekozen uiteinden.

Empirisch: middenkiezers bestaan niet als groep

Politiek-psychologisch onderzoek laat zien dat kiezers die in het midden eindigen, dat meestal niet zijn omdat hun opvattingen gematigd zijn. Ze eindigen er omdat hun voorkeuren niet langs één dimensie te ordenen zijn.

Voorbeelden:

  • Feldman & Johnston (2014) tonen dat economische en morele attitudes onafhankelijk bewegen - wie economisch “links” is, kan moreel uitgesproken conservatief zijn. Op een lineaire schaal valt hij toevallig in het midden.
  • Inglehart & Norris (2017) laten zien dat globaliseringsbreuklijnen haaks staan op het klassieke economische spectrum.
  • Dalton (2018) toont dat moderne electoraten geen coherent ideologisch pakket meer hebben, maar issue-combinaties die dwars door traditionele assen lopen.

Het midden is dus statistisch, niet politiek: een rekenkundig gemiddelde van tegenstrijdige posities, geen gematigde identiteit.

Waarom het midden verschuift: het Overton-venster als contextmachine

Wat als “midden” wordt gezien, verschuift voortdurend omdat het wordt bepaald door het Overton-venster: het spectrum van ideeën dat op een bepaald moment als acceptabel of mainstream geldt. Wanneer het venster opschuift, verschuift het midden automatisch mee - niet omdat er inhoud verandert, maar omdat de referentie verandert.

Daardoor kan iemand in 1995 “centrum-links” heten met opvattingen die in 2024 als uitgesproken rechts worden gezien - en omgekeerd.

De kern

Het politieke “midden” heeft geen eigen inhoud. Het bestaat uitsluitend bij de gratie van een links–rechts-as die zelf instabiel, historisch verschuivend en conceptueel leeg is. Zodra die as verschuift (bijvoorbeeld doordat het Overton-venster beweegt) verschuift het midden automatisch mee, zonder dat er inhoud meeverhuist. Empirisch verschijnt het midden vooral als meetfout: een artefact dat ontstaat wanneer een meerdimensionale, vectoriële politieke werkelijkheid wordt teruggebracht tot één spoorlijn die nooit bedoeld was om zulke variatie te dragen.

Wie het midden als analytische categorie gebruikt, verwart geometrie met ideologie. Het midden is geen identiteit, geen waardepakket en geen stabiel referentiepunt, maar een optische illusie die ontstaat wanneer complexiteit wordt samengeperst tot één as.


1.5 Van horizontale naar verticale classificaties

Met de analyse van links, rechts en het midden is zichtbaar geworden dat de horizontale politieke as nooit een stabiele of inhoudelijke structuur heeft gehad. Zij organiseerde tijdelijk patronen, maar bood geen duurzame manier om politieke ideeën of waarden te begrijpen. Toch bleef de as dominant in taal, media en identiteit - niet omdat zij klopt, maar omdat ze aangeleerde orde biedt.

Wie denkt dat de oplossing ligt in de verticale as; progressief versus conservatief maakt echter dezelfde fout. Ook daar gaat het niet om twee inhoudelijke tradities die tegenover elkaar staan, maar om richtingwoorden die impliceren dat politiek zich langs één ontwikkelingslijn beweegt. In het volgende hoofdstuk laat ik zien waarom ook deze termen geen consistentie, geen voorspellende waarde en geen stabiele betekenis hebben, en waarom ze in de huidige politiek zelfs nog problematischer functioneren dan de horizontale indeling.


2. Verticale classificaties

2.1 Hoe progressief en conservatief ontstonden

In de politieke taal van nu klinkt het alsof progressief en conservatief oerbegrippen zijn: twee krachten die altijd en overal tegenover elkaar hebben gestaan. Historisch klopt dat niet. Deze woorden worden pas echt bruikbaar in de 19e eeuw - in een Europa dat in permanente transformatie verkeert. De Industriële Revolutie verschuift economische verhoudingen; verstedelijking ontbindt oude gemeenschappen; nieuwe media verbinden massapublieken; nationalisme, wetenschap en secularisering herschrijven hoe samenlevingen zichzelf begrijpen.

In die context gaat politiek steeds minder over één vraag (“wie bezit de macht?”) en steeds meer over een andere (“hoe snel en in welke richting verandert de samenleving?”). Partijen, kranten en denkers hebben taal nodig om tempo en richting te duiden. Zo ontstaat de tweedeling:

  • conservatief → behoud, continuïteit, voorzichtigheid
  • progressief → verandering, emancipatie, vooruitgang

Die woorden lijken te passen bij een tijd waarin West-Europese landen (grofweg) op een vergelijkbaar traject zitten: industrialisering → emancipatie → democratisering → staatsvorming. Zolang die ontwikkeling als min of meer lineair voelt, werkt het contrast “behoud versus vooruitgang” als intuïtief ordeningssysteem.

Maar die bril bevat vanaf het begin een structurele fout: progressief en conservatief veronderstellen dat geschiedenis één richting heeft - één meetlat waarlangs je kunt achterlopen, meebewegen of voorop lopen.

De 21e eeuw maakt zichtbaar hoe onhoudbaar die veronderstelling is. Samenlevingen bewegen niet langs één as, maar langs meerdere, los van elkaar verschuivende lijnen:

  • technologie versnelt,
  • ecologie remt,
  • economie globaliseert,
  • cultuur fragmenteert,
  • staatsmacht centraliseert (of wordt selectief),
  • instituties eroderen,
  • waarden verschuiven parallel, maar niet in hetzelfde ritme.

In de volgende secties laat ik zien waarom zowel “conservatief” als “progressief” daarom uit elkaar vallen zodra je ze inhoudelijk probeert vast te pakken.


2.2 ‘Conservatief’ als historisch-maatschappelijke constellatie

Conservatisme klinkt helder: behoud van het waardevolle, voorzichtigheid met radicale verandering. Maar zodra je één vraag serieus neemt - wat moet behouden worden? - breekt de schijnbare stabiliteit open.

Historische verschuivingen binnen conservatisme

Voorbeelden maken dat zichtbaar:

  • Britse Tories verdedigen vandaag de NHS: een universeel zorgstelsel dat historisch eerder door linkse hervormingslogica is opgebouwd.
  • Amerikaanse conservatieven verdedigen vaak een vorm van marktradicalisme, terwijl klassieke conservatieve denkers (zoals Burke) juist waarschuwen voor de ontwrichtende kracht van markten en abstracte systeemontwerpen.
  • In Nederland verdedigde 19e-eeuws “behoud” eerder verzuiling, christelijke plichten en morele gemeenschap - inhoudelijk iets totaal anders dan de latere economisch-liberale invulling die óók onder “conservatief” is gaan vallen.

De inhoud van “het behoudenswaardige” blijkt dus volledig tijd- en contextafhankelijk. Conservatisme wordt in de praktijk niet gedefinieerd door een vaste kern, maar door een relatie tot verandering: terughoudend, voorzichtig, sceptisch - zonder universeel criterium waar die terughoudendheid op rust.

Waarom conservatief als classificatielabel analytisch leeg wordt

  • Er bestaat geen lijst van waarden die altijd conservatief is.
  • Er bestaat geen grens waarbinnen iets wel/niet conservatief is.
  • Conservatisme verschuift mee met wat in een samenleving op dat moment dominant is.

Als classificatielabel is “conservatief” daardoor vaak descriptief leeg: het verwijst niet naar een ideologie, maar naar een houding die in elke context totaal andere inhoud kan dragen.

De kern

Conservatisme heeft historische zeggingskracht als woord, maar als label is het instabiel: het benoemt telkens iets anders, afhankelijk van wat er op dat moment op het spel staat.


2.3 De verwarring rond “filosofisch conservatisme”

Hier ontstaat een verwarring die het publieke debat structureel vertroebelt. Er bestaat namelijk wél een herkenbare filosofische traditie die zichzelf conservatief noemt (Burke, Oakeshott, Scruton), met argumenten en uitgangspunten: scepsis tegenover radicale, top-down veranderingen; waardering voor institutionele continuïteit; erkenning dat sociale structuren ingebedde kennis bevatten; voorkeur voor graduele aanpassing boven abstract ontwerp.

Dat is een denkkader met interne logica. Maar precies daar zit de angel: die traditie is te smal om het hedendaagse labelgebruik te dragen. In media en alledaags taalgebruik kan “conservatief” alles betekenen:

  • religieus traditionalistisch,
  • marktfundamentalistisch,
  • nationalistisch,
  • technocratisch,
  • anti-technocratisch,
  • gezagsgetrouw,
  • anti-institutioneel.

Het label is dus niet “de politieke vertaling” van die filosofie. Het is een container die die filosofie soms citeert - maar net zo makkelijk het tegenovergestelde kan aanduiden. Dat bevestigt het punt: als classificatielabel is conservatief niet betrouwbaar, juist omdat het meerdere, elkaar uitsluitende inhoud kan dragen.


2.4 ‘Progressief’ als historisch-maatschappelijke constellatie

Waar conservatisme draait om behoud, draait progressivisme om verandering. Maar “vooruitgang” is geen neutrale maat: het is altijd normatief.

Vooruitgang is een claim, geen meetbaar gegeven

In één en dezelfde tijd kan “vooruitgang” betekenen:

  • voor technocraten: sneller innoveren,
  • voor sociaal-democraten: herverdeling en bescherming,
  • voor liberalen: uitbreiding van individuele rechten,
  • voor ecologisten: minder groei en consumptie,
  • voor communitaristen: herstel van gemeenschapsstructuren.

Het begrip is daarmee geen inhoudelijke positie, maar een waardekwalificatie. Wie zichzelf progressief noemt, bedoelt vaak: “wat ik wil, ís bewegen richting mijn politieke doel.”

De teleologische fout

Het woord progressief impliceert een vaststaand eindpunt - alsof geschiedenis ergens naartoe gaat, en politiek de rol heeft om die richting te versnellen of af te remmen. Maar in een wereld waarin het politiek gewenste eindpunt van de mensheid een kwestie is van perceptie zou het idee dat “vooruitgang” één meetlat heeft logischerwijs moeten verdwijnen.

De kern

Progressief is als label leeg omdat:

  • er geen universele standaard is om vooruitgang te meten,
  • er geen stabiele kern van “progressieve waarden” bestaat,
  • tegengestelde veranderingen allemaal als “vooruitgang” kunnen worden geclaimd.

Het label functioneert daarmee vooral retorisch, niet analytisch.


2.5 Van verticale classificaties naar versterkende classificaties

De conclusie van dit stuk is voor mij dan ook simpel: Progressief en conservatief functioneren in een modulair kiezerslandschap niet meer als richtingaanwijzers, maar als cultureel erfgoed uit een tijd waarin politiek nog werd gelezen als één gezamenlijke beweging door de geschiedenis. Die gezamenlijke beweging bestaat niet meer. De werkelijkheid bestaat uit domeinen die onafhankelijk verschuiven - soms vooruit, soms terug, soms opzij - zonder één tempo en zonder één doel.

In zo’n omgeving verliezen richtinglabels hun houvast. Conservatisme wordt een houding zonder object; progressivisme een richting zonder bestemming. Wat overblijft zijn woorden die vooral sociaal en symbolisch functioneren: markers van identiteit, zelfbeeld en politieke stijl - geen betrouwbare categorieën voor inhoudelijke analyse.

En precies daar ontstaat een talige reflex: want als alle standaard richtinglabels hun grip verliezen, maar individuen wel uitgesproken zijn probeert men die grip te herstellen met versterkingen of bijvoegsels om de oogschijnlijke afwijking in de classificering weer duidbaar te maken. Dan verschijnen termen als extreem rechts, radicaal links of alt-X: begrippen die suggereren dat er ergens een duidelijke grens ligt tussen “normaal” en “te ver”.

Wie goed heeft opgelet, ziet het nu al: als er geen stabiele as bestaat, kun je ook geen ‘uiterste’ bepalen. Daarmee worden versterkte labels nog problematischer dan hun ‘gematigde’ tegenhangers: ze trekken grenzen waar conceptueel geen grenzen bestaan en verschuiven politieke discussie van inhoud naar risicotaal. Desondanks worden deze termen veelvuldig gebruikt en zelfs geïnstitutionaliseerd door overheidsinstanties en wetenschappers - waaronder ook auteurs die ik zelf als bron aanhaal. Juist daarom verdient dit, ondanks de voorspelbare uitkomst, een afzonderlijke analyse.


3. Versterkende politieke classificatielabels

Wanneer basislabels als links en rechts hun verklarende kracht verliezen, ontstaat er vaak een reflex van versterking. In plaats van herdefinitie volgt intensivering. Links wordt radicaal links, rechts wordt extreem rechts, en wanneer ook dat tekortschiet verschijnen nieuwe varianten: alt-right, ultra-progressief, radicaal-links, extreem-rechts.

Deze versterkwoorden suggereren precisie, maar doen in werkelijkheid het tegenovergestelde. Ze bouwen voort op begrippen die al geen stabiele kern hebben en vergroten daarmee niet de scherpte, maar de ambiguïteit. Dit hoofdstuk laat zien waarom die versterkte classificaties structureel falen - en waarom alleen het begrip extreem nog een beperkte, maar fundamenteel andere betekenis kan hebben.


3.1 Versterking zonder grondslag

Versterkingen als radicaal, extreem, ultra of ver veronderstellen een schaal: iets moet “meer” of “minder” zijn van iets anders. Maar dat impliceert een nulpunt, een kern en een richting.

Bij politieke classificaties ontbreekt die basis.
Radicaal links suggereert: méér links.
Radicaal rechts suggereert: méér rechts.

Maar zoals in hoofdstuk 1 is vastgesteld, zijn links en rechts geen inhoudelijk afgebakende categorieën. Er bestaat dus geen referentiepunt waarvan je kunt afwijken, verdiepen of radicaliseren. Versterkwoorden vergroten hier geen betekenis; ze vermenigvuldigen leegte.


3.2 Radicaal binnen een modulair (vectorieel) politiek model

Radicaal komt van radix: wortel. In theorie betekent het: terug naar fundamenten, herzien van uitgangspunten. Maar binnen een modulair, vectorieel model - waarin politieke posities bestaan uit losse, onafhankelijk bewegende dimensies - verliest ook dit begrip zijn coherentie.

Iemand kan radicaal zijn op democratische structuren, gematigd op economie, behoudend op cultuur en experimenteel op technologie. Wat is hier dan “radicaal”? Welke wortel is bedoeld?

Zonder één samenhangend ideologisch systeem bestaat er geen eenduidige wortel om naar terug te keren. In een vectorieel systeem kun je diepgaand afwijken op één as zonder dat elders iets “meeverhardt”. Het label radicaal maskeert die precisie en vervangt haar door een vaag totaalbeeld.

Tot en met radicaal geldt dus: geen analytische meerwaarde, vooral retorische intensivering.


3.3 Extreem: waar de classificatie wél van aard verandert

Extreem lijkt op het eerste gezicht hetzelfde probleem te hebben - maar hier ontstaat een ander spanningsveld. Er is namelijk één definitie die extreem kan hebben zonder te verwijzen naar links, rechts of ideologie: de bereidheid om politieke doelen te realiseren met geweld of dwang buiten het democratische proces.

Hier verschuift het begrip van inhoud naar methode. Extreem verwijst dan niet naar:

  • welke waarden iemand heeft,
  • waar iemand zit op een ideologische schaal,

maar naar:

  • welke middelen iemand acceptabel acht.

In die zin is extreem geen politieke classificatie, maar een normatieve grens rond geweld en dwang. Dat impliceert echter ook dat men hooguit kan spreken van een politiek extremist, en niet van een links of rechts extremist: die laatste aanduidingen veronderstellen immers inhoudelijk afgebakende categorieën die, zoals eerder vastgesteld, niet eenduidig te definiëren zijn.

Het spanningsveld met terrorisme

Deze definitie brengt extremisme onmiddellijk dicht bij terrorisme. Terrorisme wordt doorgaans gedefinieerd als het inzetten van geweld tegen burgers of instituties om politieke of ideologische doelen af te dwingen. Het verschil tussen extremisme en terrorisme wordt dan grotendeels gradueel en juridisch:

  • intentie versus uitvoering,
  • bereidheid versus daad,
  • dreiging versus actie.

Dat roept een ongemakkelijke vraag op: wat voegt het begrip extremisme nog toe, als politiek geweld bij uitvoering al onder terrorisme valt? Het antwoord is: weinig - behalve als voorstadium- of risicolabel, niet als ideologische categorie.

Waarom ook “extreem” als politiek label problematisch blijft

Zelfs wanneer extreem zo beperkt mogelijk wordt opgevat - als bereidheid tot politiek geweld - blijft het gebruik als politiek label riskant. Dat heeft te maken met een fundamenteel spanningsveld: moderne staten bezitten het geweldsmonopolie. Politiek geweld wordt daardoor niet alleen beoordeeld op middelen, maar ook op legitimiteit en autorisatie. Geweld door de staat heet handhaving, ordebewaking of defensie; geweld buiten dat kader heet extremisme, terrorisme of radicalisering - zelfs wanneer het beoogde doel inhoudelijk vergelijkbaar is.

Daarmee ontstaat een onderscheid dat in het debat vaak wordt weggepoetst:

  • er is verschil tussen zelf geweld willen gebruiken,
  • en het legitiem achten dat de staat haar geweldsmonopolie inzet voor een politiek doel.

Iemand kan fel tegen migratie, klimaatvervuiling of economische uitbuiting zijn en expliciet géén eigen geweld willen gebruiken, maar wél bepleiten dat de staat hard optreedt - inclusief dwang, repressie of fysieke macht. In classificatietaal blijft zo’n positie vaak “niet-extreem”, terwijl de materiële impact ingrijpender kan zijn dan geweldloze systeemkritiek.

Het omgekeerde gebeurt ook. Bij structurele inactie van de overheid - bijvoorbeeld rond rechtsongelijkheid, ecologische schade of institutioneel falen - kan eigenrichting in sommige frames zelfs als “protest” of “wanhoopsdaad” worden gelezen, waardoor beoordeling verschuift op basis van legitimiteitsgevoel in plaats van middel.

In de praktijk raakt het label extreem daardoor makkelijk los van daadwerkelijke geweldsbereidheid en schuift het naar iets anders:

  • het wordt toegepast op ideeën in plaats van op middelen,
  • op afwijking in plaats van op dreiging,
  • op systeemkritiek in plaats van op geweld.

Het gevolg is voorspelbaar: niet-gewelddadige maar fundamentele kritiek wordt gemoraliseerd, afwijking van de dominante democratische rechtsorde wordt gelijkgesteld aan gevaar, en mensen gaan zichzelf censureren uit angst voor nabijheid tot het label.

Op dat moment functioneert extreem niet langer als veiligheidsbegrip, maar als disciplinaire taalhandeling: een manier om het toelaatbare debat af te bakenen zonder inhoudelijk te hoeven argumenteren.


3.4 Tussenconclusie: versterkte labels lossen niets op

De logica is consistent:

  • Als links en rechts analytisch leeg zijn, zijn hun versterkingen dat ook.
  • Radicaal faalt binnen een modulair politiek model.
  • Extreem heeft alleen betekenis wanneer het strikt wordt beperkt tot geweldsbereidheid - en zelfs dan is het geen politieke categorie, maar een grens rond middelen.

Wat overblijft is geen fijnmaziger classificatie, maar een talig systeem dat politieke complexiteit reduceert, morele grenzen suggereert waar inhoudelijke verschillen bestaan, en het publieke debat structureel vervormt.

Daarmee is de volgende stap logisch: niet naar nóg sterkere labels, maar naar de vraag of politieke classificatielabels überhaupt meetbaar, toetsbaar of analytisch houdbaar zijn.


4. De meetbaarheid van politieke classificatielabels

De termen links, rechts, progressief, conservatief en hun extremere varianten of versies met bijvoegsel functioneren in het publieke debat alsof het vaste analytische categorieën zijn. In mijn analyse zijn ze dat niet - niet omdat mensen ze “dom” gebruiken, maar omdat de begrippen zelf structureel ongeschikt zijn voor nauwkeurige duiding.

Dit hoofdstuk laat zien waarom: conceptueel, empirisch, historisch en gedragsmatig.

4.1 Conceptuele onmogelijkheid: waarom politieke classificatielabels niet te definiëren zijn

Een politieke categorie is alleen analytisch bruikbaar wanneer zij:

  • een herkenbare set onderliggende waarden of aannames heeft,
  • intern enigszins consistent is,
  • grenzen heeft die falsifieerbaar zijn (iets kan er níet onder vallen),
  • en minimaal stabiel is in de tijd.

Echte ideologieën voldoen daar tenminste in de basis aan. Liberalisme, socialisme en anarchisme hebben ieder een interne logica: bepaalde waarden zijn kernachtig, andere afgeleid.

Politieke classificatielabels als links, rechts, progressief en conservatief hebben daarentegen:

  • geen ontwerper,
  • geen vastgelegde kernwaarden,
  • geen overeengekomen doelen of middelen,
  • geen standaard waarmee een standpunt getoetst kan worden.

Ze verwijzen naar historische clusters van associaties die voortdurend verschuiven. Daardoor kun je nooit hard vaststellen dat:

  • een standpunt “niet links” is,
  • een positie “onmogelijk rechts” is,
  • een beweging “per definitie niet progressief” kan zijn.

Voor alles bestaan tegenvoorbeelden in andere landen, tijdvakken of contexten. Zonder uitsluitingscriterium zijn deze labels niet falsifieerbaar en daarmee onmeetbaar. Ze functioneren als retorische symbolen, niet als strakke concepten.


4.2 Empirische onmogelijkheid: politiek is meerdimensionaal

Onderzoek laat zien dat politieke voorkeuren uit meerdere, grotendeels onafhankelijke dimensies bestaan. Ze gedragen zich niet als één lijn, maar als een vectorruimte.

Relevante dimensies zijn bijvoorbeeld:

  • economisch (markt ↔ herverdeling),
  • cultureel (kosmopolitisch ↔ traditioneel),
  • technologisch (libertair ↔ regulerend),
  • ecologisch (extractief ↔ duurzaamheid),
  • institutioneel (vertrouwen ↔ wantrouwen),
  • geopolitiek (open ↔ soevereinistisch),
  • migratie-opvattingen,
  • risicohoudingen,
  • mate van staatsoriëntatie of autonomie.

Deze dimensies correleren zwak of helemaal niet met elkaar - en zelfs binnen één dimensie bestaan grote interpretatieverschillen. Bovendien ervaren mensen ogenschijnlijke tegenstellingen niet altijd als tegenstellingen: iemand kan tegelijk voor grondstoffenextractie én voor duurzaamheid zijn, omdat hij verwacht dat technologie beide compatibel maakt.

Dat betekent concreet dat iemand bijvoorbeeld:

  • pro-markt én pro-welvaartsstaat kan zijn,
  • cultureel behoudend maar technologisch libertair,
  • sociaal progressief én economisch protectionistisch,
  • ecologisch streng maar nationalistisch.

Een enkelvoudige schaal reduceert deze variatie tot één getal. Analytisch is dat ongeveer zo zinvol als een driedimensionaal object reduceren tot één pixel.

Belangrijke empirische bronnen laten dit patroon zien:

  • Feldman & Johnston (2014): economische en morele dimensies bewegen onafhankelijk.
  • Inglehart & Norris (2017): culturele dimensies worden dominant en verschuiven los van economische.
  • Dalton (2018): moderne electoraten hebben geen geïntegreerde, stabiele ideologische pakketten meer.

Een lineair links–rechtsmodel is daarmee niet alleen beperkt, maar empirisch misleidend.


4.3 Historische betekenisverschuiving: waarom labels nooit stabiel blijven

Omdat politieke classificatielabels geen vaste kern hebben, verschuift hun betekenis onvermijdelijk met de tijd - niet marginaal, maar fundamenteel.

Voorbeelden:

  • Links-liberaal betekende rond 1850 vrijhandel en antiklerikalisme; vandaag heet dat rechts-liberaal.
  • Kernenergie was in de jaren ’50-’70 “toekomstgericht”, in de jaren ’80 “status quo”, en wordt nu door zowel conservatieven als klimaatprogressieven geclaimd.
  • Anti-establishment werd decennialang vooral links genoemd, later vooral rechts, en nu hangt het af van wie het frame gebruikt.
  • Staatsinterventie gold in de jaren ’30 als nationaal-conservatief, in de jaren ’60 als sociaal-democratisch, en in de jaren ’10 weer als technocratisch-neutraal.

Literatuur (o.a. Sartori, Hans Noel, Inglehart & Norris, Lilliana Mason) laat zien: ideologische families herschikken, issue-coalities hergroeperen en labels functioneren steeds vaker primair als sociale identiteiten in plaats van inhoudelijke categorieën. Een begrip dat voortdurend van betekenis verschuift, kan nauwelijks een stabiele analytische functie hebben - hooguit een retorische.


4.4 Gedragsmatige realiteit: kruisende breuklijnen domineren het electoraat

Als je bovenstaande elementen samenneemt - ontbrekende definitie, multidimensionaliteit, historische drift - zie je één patroon: kiezers combineren standpunten in configuraties die het lineaire model zelf onmogelijk maakt.

Veelvoorkomende combinaties zijn bijvoorbeeld:

  • sociaal progressief & economisch protectionistisch,
  • cultureel behoudend & ecologisch streng,
  • technologisch libertair & anti-establishment,
  • pro-veiligheid & pro-privacy,
  • anti-globalistisch & pro-klimaatbeleid.

Vanuit links-rechts denken lijken dit paradoxen. Vanuit een vectorieel of zelfschikkend perspectief zijn het logische configuraties.

Onderzoek van Feldman & Johnston, Hooghe & Marks en Dalton bevestigt: morele en economische attitudes bewegen onafhankelijk; globalisering scheurt nieuwe breuklijnen dwars door links en rechts; issue-publics vormen zich rond thema’s, niet rond ideologische pakketten.

Het gedrag van kiezers ondermijnt dus niet een ooit kloppend model - het laat zien dat het model zelf nooit goed heeft beschreven hoe mensen werkelijk denken.


5. De factoren die het gebruik in stand houden

Dat politieke classificatielabels analytisch falen, betekent niet dat ze sociaal verdwijnen. Integendeel: ze zijn cognitief aantrekkelijk, strategisch bruikbaar, mediatechnisch efficiënt, identitair prettig en institutioneel ingebouwd.

5.1 Cognitieve heuristieken in politieke oordeelsvorming

Ons brein is niet ontworpen om politieke complexiteit volledig te verwerken. Mensen gebruiken heuristieken (mentale sneltoetsen) om de wereld hanteerbaar te maken. Links/rechts is zo’n sneltoets: feitelijk zwak, maar psychologisch efficiënt.

Cognitieve psychologie laat zien dat mensen voortdurend categoriseren om informatie te comprimeren. Nieuwe informatie wordt in bestaande schema’s geplaatst (Rosch 1978; Lakoff 1987). Volgens social identity theory (Tajfel & Turner 1979) beoordelen mensen anderen snel als ingroup/outgroup. Links/rechts reduceert politieke identiteit tot twee herkenbare stammen.

Ook bij informatie-overload vallen mensen terug op simpele categorieën (Kahneman & Tversky). In een landschap vol crises, prikkels en thema’s werkt links/rechts als: compressie, versnelling en sociale voorspelling. Het is aantrekkelijk, zelfs als het analytisch rammelt.


5.2 Propagandistische bruikbaarheid: waarom politieke actoren kampen cultiveren

Een tweede reden dat politieke classificatielabels zo diep zijn ingebed, is hun strategische bruikbaarheid. Campagnes en partijen hebben belang bij duidelijke kampen: ze mobiliseren, polariseren, vereenvoudigen en structureren communicatie.

Populisme-onderzoek (o.a. Cas Mudde) laat zien hoe politieke ondernemers een moreel zuiver “volk” tegenover een corrupte “elite” plaatsen, waarbij links/rechts flexibel als vijandframe wordt ingezet. Lilliana Mason laat zien hoe politieke identiteiten steeds meer functioneren als sociale stammen, waarin vijandbeeld vaak belangrijker wordt dan inhoud.

Daarnaast werkt emotie mobiliserend: dreigings- en angstframes vergroten betrokkenheid (Brader; Valentino e.a.), zeker wanneer er een duidelijke “andere kant” als gevaar wordt neergezet. Links/rechts is dan handig: je hoeft niet uit te leggen wát er mis is, alleen dát “zij” het zijn.


5.3 Pop-politieke dualiteit: hoe media en platforms tweedelingen produceren

Waar politieke actoren kampen bewust inzetten, genereren media en platforms tweedeling structureel. De architectuur van talkshows, nieuwsformats, debatten en algoritmes dwingt simplificatie af.

Media werken narratief: conflict is begrijpelijker dan complexiteit. Vectoren, iteratieve voorkeuren en meerdimensionale standpunten passen niet in een item van drie minuten of een debat met zestig seconden spreektijd.

Onderzoek (o.a. Iyengar & Hahn; Stroud; Esser & Pfetsch) laat zien dat medialogica systematisch voorkeur geeft aan tegenstelling boven nuance, conflict boven complexiteit, herkenbare kampen boven meerdimensionaliteit. Algoritmes versterken dit: scherpe tegenstellingen leveren interactie op, en worden dus beloond.

Zelfs politieke compas-tests (die nuance suggereren) reduceren vaak meerdere dimensies tot enkele lijnen en maken issues belangrijker dan onderliggende waarden. Het resultaat is een pop-politieke dualiteit: burgers leren politiek lezen via een binaire bril, niet omdat de werkelijkheid zo is, maar omdat formats bijna niets anders toelaten.


5.4 Identiteit: labels functioneren als culturele zelfmarkeringen

Mensen gebruiken politieke labels zelden omdat ze inhoudelijk kloppen; ze gebruiken ze omdat ze houvast, herkenning en groepstoegang geven. Zelfcategorisatie is vaak stabieler dan inhoudelijke opinies (Tajfel & Turner 1979; Mason 2018).

Labels blijven bestaan omdat:

  • één woord groepspositie geeft,
  • het onderdeel wordt van zelfbeeld (“ik bén links/rechts”),
  • het culturele codes activeert (taal, stijl, memes, omgangsvormen).

Digitale zelfpresentatie laat dit ook zien: op datingapps en sociale profielen fungeren “links/progressief/rechts” vaak als filter en statusmarkeerder, zelden als inhoudelijke samenvatting (online self-presentation literatuur).

Daarmee zijn labels paradoxaal: relatief stabiel als cultuurmerk, extreem instabiel als inhoudelijke categorie.


5.5 Institutionele logica: waarom systemen links/rechts blijven reproduceren

Zelfs als burgers modulair stemmen, blijven systemen tweedelingen reproduceren. Niet omdat die kloppen, maar omdat instituties er historisch op zijn gebouwd:

  • coalitievorming is eenvoudiger met blokken,
  • parlementaire organisatie is ontworpen rond kampen,
  • kiezers verwachten vaak een links en een rechts alternatief.

Partijen worden bovendien beloond voor herkenbaarheid (partijidentificatie-literatuur; Dalton; Thomassen). En partijen reageren institutioneel traag op nieuwe breuklijnen (Mair): ook als de samenleving zich langs andere assen organiseert, blijven partijen zich structureren rond oude symboliek.

Zo projecteert het systeem tweedeling op een samenleving die allang zelfschikkend en modulair is geworden - en verdiept het precies de mismatch die je in je zelfschikkingsanalyse beschrijft.


6. Hoe het beter kan

6.1 De volwassen aanpak: begrijpen via thema’s, niet via labels

Misschien voelt deze conclusie anticlimactisch, maar ze is moeilijk te ontwijken: als politieke voorkeuren modulair, meerdimensionaal en dynamisch zijn, bestaat er in feite maar één eerlijke manier om iemand politiek te begrijpen. Niet via labels, maar door per thema te vragen wat iemand vindt, waarom dat zo is, welke waarden meespelen en welke afwegingen worden gemaakt.

Dat betekent:

  • niet vragen “ben jij links of rechts?”,
  • niet uitgaan van pakketten,
  • wel expliciteren welke waarde op welk moment doorslaggevend is,
  • wel ruimte laten voor spanning en onvolledigheid.

Het is trager dan label-denken, maar onvergelijkbaar accurater. Je begrijpt iemands positie pas als je de vector ziet, niet het etiket.


6.2 Waarom alternatieven meestal tekortschieten (en waarom thema-analyse wél werkt)

Er is veel geprobeerd om voorbij links/rechts te komen: extra assen, nieuwe diagrammen, politieke compassen. Maar veel modellen falen om dezelfde reden als de labels: ze reduceren een modulair opgebouwde werkelijkheid tot een vorm die niet representatief is.

Multi-assige modellen (economisch + cultureel) vangen hooguit twee dimensies, terwijl voorkeuren langs veel meer lijnen ontwikkelen. Je krijgt pseudo-precisie: precies meten wat niet bestaat.

Zelfs vector-taal wordt pas praktisch relevant als instituties ook vectorieel organiseren. Zolang systemen pakketten afdwingen, slokt het systeem nuance op.

Het enige alternatief dat in de praktijk echt iets toevoegt, is issue-based benadering: per thema uitvragen wat iemand vindt en waarom. Dat is geen nieuw etiket, maar een andere houding: minder classificeren, meer begrijpen.


Slot

Links, rechts, progressief, conservatief, het midden, radicaal, extreem: het zijn woorden die orde suggereren, maar inmiddels vooral orde forceren. Ze beschrijven de werkelijkheid niet; ze drukken haar plat tot herkenbare kampen - en presenteren die versimpeling vervolgens als “inzicht”.

Dat is niet onschuldig. In een modulair kiezerslandschap zijn classificatielabels geen neutrale hulpmiddelen meer, maar een systeem van sociale dwang: ze maken van mensen pakketten, van nuance een afwijking en van inhoud een loyaliteitstest. Ze produceren vijandsbeelden, verplaatsen debat van argumenten naar identiteit en zetten burgers ertoe aan zichzelf te censureren uit angst voor het verkeerde hokje.

Als je politiek serieus neemt, kun je die taal niet blijven behandelen als onhandig maar onschadelijk. Dan moet je haar zien voor wat ze is: een verouderde interface die niet alleen faalt in analyse, maar actief de werkelijkheid vervormt - en precies daardoor de democratische uitwisseling armer maakt.

De vraag “ben je links of rechts?” is daarom niet alleen simplificerend; ze is een categoriefout. Ze verwart geometrie met overtuiging. Ze verwart kamp met inhoud. En ze verwart taal met waarheid.

Er is maar één volwassen uitweg: stop met etiketteren alsof het kennis is. Vraag per thema wat iemand vindt, waarom, welke waarden meespelen, en welk compromis iemand acceptabel acht. Niet omdat dat “aardig” is - maar omdat het de enige methode is die nog overeenkomt met hoe politieke posities vandaag daadwerkelijk bestaan: modulair, meerdimensionaal en veranderlijk.

Wie blijft praten in oude assen, blijft mensen zien als karikaturen.
Wie thema’s uitvraagt, krijgt eindelijk weer zicht op de werkelijkheid.


Bronnenlijst

(selectie – zoals gebruikt en aangehaald in de tekst)

Politieke geschiedenis & ideologie (Nederland / Europa)

  • Harinck, George. De Antirevolutionaire Partij 1879–1979.
  • Hellema, Duco. Nederlandse politiek na 1945.
  • Kennedy, James. Nieuw Babylon in aanbouw (1995).
  • Krouwel, André. Party Transformations in European Democracies (2012).
  • Pateman, Carole. Participation and Democratic Theory (1970).
  • Vossen, Koen. Ideologie in Nederland (2018).
  • De Vries, Catherine & Hobolt, Sara. Werk over Europese partijfamilies en kiesgedrag (exacte titel/jaar te finaliseren in eindredactie).

Politieke breuklijnen, attitudes & multidimensionaliteit

  • Dalton, Russell J. Werk over electorale herschikking en ideologische pakketten (2018; exacte titel te finaliseren).
  • Feldman, Stanley & Johnston, Christopher. Werk over de onafhankelijkheid van economische en morele attitudes (Political Psychology, 2014).
  • Hooghe, Liesbet & Marks, Gary. Cleavage Theory Meets Europe’s Crises (2018).
  • Inglehart, Ronald & Norris, Pippa. Werk over culturele breuklijnen, populisme en politieke herordening (2017).

Klimaat, ideologie & politieke polarisatie

  • Brulle, Robert J. et al. Werk over klimaatpolitiek en politieke polarisatie (Nature Climate Change, 2012).
  • McCright, Aaron & Dunlap, Riley. Werk over conservatisme, klimaatscepsis en polarisatie (2011).

Taal, categorisatie, identiteit & cognitieve psychologie

  • Kahneman, Daniel & Tversky, Amos. Werk over heuristieken en bounded rationality.
  • Lakoff, George. Women, Fire, and Dangerous Things (1987).
  • Rosch, Eleanor. Werk over categorisatie en prototypetheorie (1978).
  • Tajfel, Henri & Turner, John. Social Identity Theory (1979).

Media-logica, polarisatie & partisanship

  • Brader, Ted. Werk over emotie- en angstframes in politieke communicatie.
  • Valentino, Nicholas et al. Werk over dreigingsframes en politieke mobilisatie.
  • Iyengar, Shanto & Hahn, Kyu S. Werk over selectieve blootstelling en mediapolarisatie.
  • Stroud, Natalie Jomini. Werk over partisan selective exposure.
  • Esser, Frank & Pfetsch, Barbara. Werk over medialogica en conflictframes.
  • Mason, Lilliana. Uncivil Agreement (2018).
  • Mair, Peter. Werk over partijsystemen en de representatiecrisis.
  • Thomassen, Jacques. Werk over partij-identificatie en kiesgedrag.

Specifiek Nederland: empirische kiesdata

  • Van der Meer, Tom & Hakhverdian, Armen. NOS/Kieskompas-analyses (diverse jaren).